De verzorgingsstaat anno 2012

Het filosofisch kwintet van Human nodigde vijf weken lang uit om na te denken over de verzorgingsstaat. Na vijf wekelijkse besprekingen nu een poging tot een overzicht. Over feiten en beeldvorming. Over economisering, typen verzorgingsstaat en over het Rijnlands model tegenover het Angelsaksisch model.

29 juli 2012

Het filosofisch kwintet van Human nodigde vijf weken lang uit om na te denken over de verzorgingsstaat. In de opening van elke aflevering werd aangegeven: “We krijgen dagelijks te horen dat de verzorgingsstaat in de huidige vorm niet te handhaven is.” Maar de vraag of dit waar is, is niet aan de orde geweest. Na vijf wekelijkse besprekingen nu een poging tot een overzicht.

De verzorgingsstaat is er voor mensen die (nog) niet, niet meer, of tijdelijk niet voor zichzelf kunnen zorgen. Daarvoor hebben we onderwijs, AOW en pensioenen en gezondheidszorg. Deels als overheidstaken, deels via verzekeringen.
Met de vergrijzing groeit het aantal mensen dat een beroep doet op de verzorgingsstaat is de algemeen heersende gedachte. De feiten spreken dit tegen. De demografische druk (CBS: som van het aantal personen van < 20 jaar en > 65 jaar in verhouding tot het aantal personen van 20 tot 65 jaar) is in de periode 1950 – 2011 gedaald van 81,9% tot 64,2%. In dezelfde periode is de welvaart toegenomen. Dit betekent dat de draagkracht van de samenleving om een vangnet te creëren, is toegenomen. Het gaat dus niet zozeer over draagkracht maar over het draagvlak, de legitimiteit van de verzorgingsstaat. Hiermee is overigens niet gezegd dat het niet een goede gedachte is om de pensioenleeftijd op te trekken.

Economisering

Terecht is opgemerkt dat op alle terreinen sprake is van economisering. Als individu word je gestimuleerd een calculerende burger te zijn. Jaarlijks ‘moet’ je het aanbod van energiemaatschappijen en van zorgverzekeringen vergelijken om te onderzoeken of er nog een paar tientjes te verdienen zijn. Voor de samenleving wordt de markt geïdealiseerd die het allemaal zoveel efficiënter en goedkoper maakt. Ook hier lijkt er een verschil tussen feiten en beeldvorming. Onwetendheid of bewust sturen op het gewenste beeld? Ik herinner mij een discussie die ik voerde met een politicus over aanbesteding van re-integratietrajecten. ‘Het was toch allemaal zoveel goedkoper geworden’. Maar de kosten van het aanbestedingssysteem zelf werden niet meegerekend. Hoeveel ambtenaren waren bezig geweest om daar een bruikbaar protocol voor te ontwikkelen en de offertes te beoordelen. En maatschappelijk gezien: hoeveel talent was verspild aan het uitbrengen van offertes door bureaus die buiten de boot vielen. En dan hebben we het nog niet over het feit dat prijs boven kwaliteit ging.
De economisering speelt een rol in het onderwijs, zo is geconstateerd. Het onderwijs moet mensen afleveren die kunnen bijdragen aan (de groei van) de economie. De kosten van de gezondheidszorg lijken minder van belang als de zorg leidt tot genezing waardoor mensen weer economisch kunnen bijdragen.
De instituties worden als gevolg van de economisering grote onoverzichtelijke instellingen met extra bestuurslagen, waarin de organisatiebelangen (en belangen van het management) belangrijker lijken dan de inhoud en de kwaliteit van het onderwijs/ de gezondheidszorg. De schaalvergroting leidt ook tot een groter risico van mismanagement met maatschappelijke gevolgen die moeizaam op te vangen zijn.

Uitvallers

Uitvallers zijn die mensen die tijdelijk of permanent niet voor zichzelf kunnen zorgen. Mensen die niet mee kunnen in het onderwijs zijn of worden relatief vaak uitvallers.
Ook ongezond gedrag vergroot het risico op uitvallen – en door hun beroep op de gezondheidszorg vormt deze groep een kostenpost voor de verzorgingsstaat. Zowel in de aflevering over uitvallers als in de aflevering over het onderwijs werd gesproken over een samenleving die hard is voor mensen die niet mee kunnen.
Over niet werken: ”De samenleving is hard. Mensen zijn niet allemaal in staat om in deze harde en complexe samenleving aan de norm te voldoen.”
Over het onderwijs: “Er is sprake van hardvochtigheid en harteloosheid naar jongeren die het cognitief niet aan kunnen. De leerplicht verwordt voor deze groep vaak tot een aanwezigheidsplicht.” Leren wordt hiermee een negatieve ervaring en de natuurlijke leergierigheid en het plezier van jezelf ontwikkelen wordt de kop ingedrukt.

Een andere dimensie van uitvallen wordt gevormd door mensen die zich weinig gelegen laten liggen aan omgangsvormen. Het onderwijs moet opvoedkundige taken overnemen en vindt ouders tegenover zich in plaats van dat ouders en leerkrachten gezamenlijk optrekken. Het individualisme en het gebrek aan gedeelde normen en waarden zijn oorzaak van het ontbreken van solidariteit en samenhang.
Als coach heb ik jarenlang gewerkt met uitvallers. Het is geweldig om te zien hoe mensen weer in beweging komen, het gevoel krijgen dat ze erbij horen, plezier krijgen in nieuwe dingen leren, zich ontwikkelen. Ik herinner mij een vrouw met een slechte naam bij alle hulpverleningsinstellingen waarmee ze te maken had. Na een kort traject kwam ze in beweging. Op de vraag waarom het nu wel lukte zei ze: “omdat ik me eindelijk als mens behandeld voelde”. Ook uitvallers zijn mensen met – onbenutte – kwaliteiten. Zowel voor het individu als voor de samenleving is het van grote waarde als die onbenutte kwaliteiten ontwikkeld en ingezet kunnen worden.

Europa

Misschien kunnen we wel stellen dat Europa symbool staat voor het gebrek aan draagvlak voor de verzorgingsstaat. Mensen voelen zich bedreigd door een samenleving die steeds complexer wordt. En de schaalgrootte van Europa versterkt dat gevoel van bedreiging. Meedoen en je ontwikkelen vraagt in de samenleving van nu om veel meer kwaliteiten dan in de overzichtelijke wereld van de jaren ’60 en ‘70. Vooral de uitvallers voelen zich bedreigd doordat zij het tempo van de veranderingen niet kunnen bijhouden. De elite die destijds voorop liep met Europese idealen was er niet op uit om er zelf beter van te worden en werd nog als betrouwbaar en geloofwaardig ervaren. De huidige politici en financiële deskundigen, die ondanks de crisis de voordelen van Europa aanprijzen, weten zelf ook niet hoe het verder moet en worden niet langer vertrouwd.

Visie op de verzorgingsstaat

De Deense socioloog Esping-Andersen (bron: Wikipedia) maakte een onderscheid in verschillende typen verzorgingsstaten. Nederland wordt beschouwd als mengvorm: gericht op corporatisme in West-Europa en op democratisch-socialisme in Noord-Europa.
Het sociaaldemocratisch of Scandinavisch type kent een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid met relatief hoge, vrij algemeen toegankelijke uitkeringen. De burgers betalen veel premies en belasting, met als gevolg dat er goede regelingen voor ouderschapsverlof en een hoge arbeidsmarktparticipatie is, ook door vrouwen.
Het corporatistisch of continentaal type heeft ook een hoog voorzieningsniveau, maar de toekenning van rechten is selectiever. Werknemers- en werkgeversorganisaties spelen een belangrijke rol; de rol van de overheid op de arbeidsmarkt is beperkt. Relatief weinig vrouwen en oudere mannen hebben een baan. Werknemers zijn goed tegen ontslag beschermd.
In het liberaal of Angelsaksisch type ligt het niveau van sociale voorzieningen veel lager en uitkeringen zijn moeilijker te krijgen. Bovendien zijn de uitkeringspercentages lager en is de duur korter. De overheid bemoeit zich weinig met de zorgtaken en trekt daar weinig geld voor uit.

Nederland wordt beschouwd als een mengvorm van het corporatistisch en het sociaaldemocratische type verzorgingsstaat. Je kunt je afvragen of we het afgelopen decennium niet richting Angelsaksisch type zijn opgeschoven. Misschien nog niet feitelijk maar wel in de wijze waarop er over de verzorgingsstaat wordt gedacht en gesproken. Vergelijkbaar is de beweging in de economie waar we het Rijnlands model hebben ingeruild voor het Angelsaksische model. Als we kijken naar de Duitse economie die veel beter bestand lijkt tegen de crisis dan lijkt het goed als we ons daar nog eens op bezinnen. Al is het maar omdat die economie beter te begrijpen is en er minder plaats is voor riskante luchtballonnen en hypes.
Managementscope geeft een mooie definitie van beide modellen:
Het Rijnlandse Model staat voor de overlegcultuur, voor solidariteit, voor waardering voor vakmanschap en voor andere waarden dan alleen geld, zoals kwaliteit en geluk.
Daarmee staat het lijnrecht tegenover het Angelsaksische model in zijn meest rauwe vorm waarbij geld vaak de enige maatstaf lijkt te zijn, de aandeelhouder de baas is en processen alleen nog maar zo efficiënt en goedkoop mogelijk worden gemanaged.

De eerlijkheid gebiedt om te zeggen dat er ook nadelen van het Rijnlands model worden geschetst maar deze vallen in het niet bij de voordelen. Maar het grote voordeel zit vooral in de principiële keuze voor waarden die er echt toe doen.

Onderwijs en de houdbaarheid van de verzorgingsstaat

Samenvatting van en gedachten bij het filosofisch kwintet van 22 juli over de rol en plaats van onderwijs in de verzorgingsstaat. Over onderwijs als economische factor en als middel tot ‘verheffing’. Over het ontbreken van visie en over mogelijke oplossingen.

23 juli 2012

Het filosofisch kwintet van 22 juli: Wat is de rol en plaats van onderwijs in de verzorgingsstaat?

Het gesprek van het filosofisch kwintet start bij een bericht in de NRC van 14 juli over de laaggeletterdheid van 1½ miljoen mensen in Nederland. Dit betreft een veel grotere groep dan de immigranten voor wie Nederlands niet de moedertaal is. Van alle drop-outs is 85% laaggeletterd. Laaggeletterdheid vergroot dus de kans op uitvallen. Waarmee gelijk het maatschappelijk belang duidelijk wordt.

Onderwijs is gericht op twee hoofddoelen. Een economisch doel dat vraagt om voldoende beheersing van de basisvaardigheden. Het tweede doel is de culturele overdracht, gericht op burgerschap en op reproductie van cultuur – zoals dit jarenlang binnen de zuilen vorm kreeg.
Dit laatste wordt vooral gevangen met het begrip ‘verheffen’; ontwikkelen van groepen burgers. De drie grote stromingen, de sociaal democratische, christelijke en liberale tradities hebben voldoende cultuurfilosofische bronnen waaruit geput kan worden.

Het economisch belang van onderwijs
Er is in tegenstelling tot de vorige uitzendingen niet gesproken over de stijgende kosten. Wel over de economisering van het onderwijs. Het doel van onderwijs lijkt meer en meer te beperkt te worden tot het aanleren van basisvaardigheden waardoor burgers economisch onafhankelijk kunnen worden en hun bijdrage kunnen leveren aan (de groei van) de economie. Het onderwijs wordt afgerekend op het wel of niet behalen van dat doel. De economisering wordt ook zichtbaar in de instituties. Grote onderwijsinstellingen waarin de organisatiebelangen (en belangen van het management) belangrijker lijken dan de inhoud en de kwaliteit van het onderwijs.

Basisonderwijs
Het basisonderwijs heeft er de laatste decennia veel taken bijgekregen. Veel maatschappelijke problemen worden bij het onderwijs neergelegd en de basisschool krijgt meer en meer de rol van opvoeder. In de tijd van de zuilen ondersteunde het onderwijs de cultuur en het opvoedingsklimaat van thuis. De middenklasse omgangsvormen zijn verwaterd en van de scholen wordt verwacht dat zij deze taak van de ouders overnemen. Niet zelden leidt dat tot strijd tussen ouders en school. Tegelijk worden scholen meer afgerekend op het aanleren van basisvaardigheden en krijgen toetsen een belangrijker rol. Meer taken – terwijl de schooldag in Nederland de kortste is van Europa.
Eén van de oplossingen die wordt aangegeven is een verlenging van de schooldag. Dit heeft tot voordeel dat voorschoolse en naschoolse opvang niet langer nodig zijn en ouders meer mogelijkheden krijgen om werk en gezin te combineren. Tevens wordt er gepleit voor voorschoolse educatie van 2- en 3-jarigen om de kansenongelijkheid te verkleinen. Het huidige onderwijs waarin een belangrijke taak bij ouders wordt gelegd bij de voorbereiding op toetsen en werkstukken maakt dat de sociaal-culturele en economische verschillen worden gereproduceerd.
Belangrijk is ook de verwijzing naar het Finse model waarin zeer hoge eisen worden gesteld aan leerkrachten. Ook worden daar veel meer vakkrachten ingezet in het onderwijs.

Vervolgonderwijs en uitvallers
Tegenover het recht op onderwijs staat de plicht voor studenten om zich in te zetten. Er werd gesproken over hardvochtigheid en harteloosheid naar jongeren die het cognitief niet aan kunnen. De leerplicht verwordt voor deze groep vaak tot een aanwezigheidsplicht. Leren wordt hiermee een negatieve ervaring en de natuurlijke leergierigheid en het plezier van jezelf ontwikkelen wordt de kop ingedrukt. Dit is aanleiding tot een pleidooi voor ambachtelijk onderwijs. Niet voor niets worden succesvolle projecten voor drop-outs gekenmerkt door praktische taken en het leren van een vak. Mijn vader, een ouderwetse schoolmeester in de vorige eeuw, zag de kinderen opleven die na de 6e klas naar de ambachtsschool of later LTS gingen. Eindelijk de dingen doen waar je goed in was of kon worden. Onderwijs dat wordt ingezet om verborgen talent te ontwikkelen en laaggeletterden ook de mogelijkheid biedt om volwaardig te participeren.

Visie op onderwijs
Er ontbreekt een duidelijke visie op onderwijs. Er is veel verwarring. Dit maakt dat leerkrachten niet goed functioneren. Een goede visie wordt in de eerste plaats gekenmerkt door keuzes die gemaakt worden. We moeten ons realiseren dat we de economische orde van morgen niet kennen. Het is dus belangrijk dat we oplossingsgerichte capaciteiten ontwikkelen. Om te beginnen in het basisonderwijs waarvoor een aantal zinvolle suggesties voor kwaliteitsverbetering zijn aangedragen
Demografische ontwikkelingen laten zien dat het aantal kinderen kleiner wordt. We kunnen ons geen onderwijssysteem permitteren waarin kinderen niet de kans krijgen om zich te ontwikkelen tot zelfredzame en kritische burgers.

Gezondheidszorg en de houdbaarheid van de verzorgingsstaat.

Gezondheidszorg en de houdbaarheid van de verzorgingsstaat.
Hoe denken we over zorg? Hoe ver gaat het recht op zorg en welke rol heeft de staat? Over solidariteit en verantwoordelijkheid. Over zorg als economische factor en de markt. Zorg als schaars goed en verdeling op basis van waarden als gelijke toegang en solidariteit. En uiteindelijk de vraag naar verzoening met onze sterfelijkheid. Gedachten bij het filosofisch kwintet van 15 juli.

16 juli 2012

Het filosofisch kwintet van 15 juli: Hoe denken we over zorg? Hoe ver gaat het recht op zorg en welke rol heeft de staat?
De bron van zorg is te vinden in de caritas, het christendom. Zorg voor elkaar die de eigen kring overstijgt. Vanaf het einde van de 18e eeuw is onder invloed van het kapitalisme de zorg een maatschappelijk belang geworden. Gezonde mensen kunnen bijdragen aan de productiviteit. In de loop van de 20e eeuw is de zorg verschoven van de kerk naar de staat.
Gesteld kan worden dat de gezondheidszorg wat mag kosten als het betekent dat mensen genezen worden (=weer kunnen bijdragen aan de productie). Zorg vanuit compassie is minder vanzelfsprekend. Ten eerste zijn hulpverleners opgeleid om te genezen, in ieder geval handelend op te treden. Maar ook de aandacht voor evidence based werken heeft de ruimte voor compassie verkleind. Wat is het draagvlak voor zorg waarvan ‘het nut’ niet is bewezen? Opgemerkt werd dat het nut van aandacht in de behandeling niet is bewezen. Ik heb hier niet direct concrete verwijzingen naar onderzoeksrapporten maar ik weet vrijwel zeker dat er wel onderzoek is gedaan waarin de meerwaarde van aandacht is aangetoond.

Recht op zorg
Zorg is een schaars goed en belangrijke principes bij de verdeling hiervan zijn waarden als gelijke toegang en solidariteit. Er is een collectieve verzekering die alleen kan blijven functioneren als de zorg niet onbeperkt beschikbaar is. Solidariteit kent ook grenzen: wat ben ik bereid om voor de gezondheid van de ander (buiten mijn directe kring) te betalen. Zorg is ook breder dan ziekte en omvat ook preventie en welzijn. Hoe ver gaat de solidariteit als het gaat over cosmetische chirurgie?
In de discussie werd enkele malen gesteld dat gezondheid belangrijk is om ‘normaal’ te kunnen functioneren. Maar het is belangrijk te erkennen dat ook de patiënt die afhankelijk is van anderen kwaliteit van leven kan hebben. Anders dreigt het gevaar dat we individuen beoordelen naar hun bijdrage aan de samenleving in de sfeer van productiviteit. Dan wordt de discussie wel een enge en dat zal niet zo bedoeld zijn, mag ik hopen.

Solidariteit en verantwoordelijkheid
De focus moet liggen op preventie. Niet achteraf als iemand al ziek is. Dit voorkomt onverkwikkelijke discussies of ziekte en ongeval voorkomen had kunnen worden als de patiënt een gezonde (minder riskante) levensstijl had gehad. Terecht werd gesteld dat we allemaal irrationeel, onverstandig gedrag vertonen dat gevolgen kan hebben voor onze gezondheid. De solidariteit onder het systeem wordt ondermijnd als we de risico’s in kaart brengen en bepalend laten zijn voor de kosten en toegankelijkheid van zorg.
Het principe van wederkerigheid krijgt weinig aandacht in de discussie over solidariteit. Vandaag ben ik gezond maar morgen kan mijn perspectief 180° gekanteld zijn. En als dat mij of één van mijn geliefden overkomt dan kijk ik anders naar kosten en solidariteit.

Zorg als economische factor
Er is zorg over de stijgende kosten. Er is overeenstemming over het idee dat het budget vastgesteld moet worden voor een basispakket dat begrensd is. Wie meer wil moet dat zelf regelen, al dan niet met behulp van een verzekering. De schaarste maakt ook dat hulpverleners ‘nee’ moeten kunnen verkopen als de vraag buiten de vastgestelde grenzen valt.
Wat ik mis in deze discussie is de gedachte dat de gezondheidszorg ook een belangrijke bron is van economische groei. Het is één van de weinige sectoren waarin banengroei is. Vanuit de kapitalistische gedachte draagt de zorg er ook toe bij dat mensen langer gezond blijven en dus langer kunnen bijdragen – zie ook de discussie over de stijgende pensioenleeftijd.
Er is ook weinig aandacht voor de echte oorzaak van de groeiende vraag en de bijbehorende kosten; namelijk de groei van de technische mogelijkheden. En hoe zit het met de maatschappelijke kosten? Je wilt alles geprobeerd hebben om jouw gezondheidsprobleem op te lossen. Op individueel niveau betekent dit soms winst want het leidt tot de gewenste uitkomst: genezing. Voor anderen betekent dit een toename van lijden. Want de behandeling veroorzaakt schade en hoop die uiteindelijk niet vervuld wordt kan zwaarder vallen dan wanneer je gelijk de klap moet incasseren. Wat is de balans van geluk en lijden op macroniveau?

En dan natuurlijk de werking van de markt in de zorg. Sinds de markt de ruimte krijgt, zijn de kosten exponentieel gestegen. De beleidsmakers doen voorkomen alsof dit gescheiden ontwikkelingen zijn maar het gezonde verstand zegt wat anders. Vanmorgen (16 juli) op de voorpagina van Trouw: “Verzekeraars letten niet op zorgkwaliteit. Zorgverzekeraars maken de belofte van de marktwerking niet waar.
De markt heeft ook zijn eigen belangen. Het is een bedrijf geworden dat omzet (=behandelingen en nieuwe markten) moet genereren. De markt heeft belang bij groei en de samenleving heeft belang bij begrenzing van de groei. En weer een ander deel van de markt heeft belang bij ongezond gedrag. Kijk naar de effectieve lobby van de tabaksindustrie.

We moeten ons verzoenen met onze sterfelijkheid
De toename van de mogelijkheden om te genezen kunnen het zicht op de grenzen hiervan belemmeren. We voeren een eindeloze strijd tegen het einde. We zijn zo langzamerhand af van het idee van de maakbare samenleving maar daar lijkt het idee van een maakbare gezondheid voor in de plaats te zijn gekomen. Het is mooi dat we langer vitaal blijven – mede dankzij de mogelijkheden van de geneeskunde. Maar het beperkt ons vermogen om beperkingen en uiteindelijk verval te accepteren. We hopen voortdurend op nieuwe ontwikkelingen die het einde kunnen uitstellen.
De waarde van de publieke discussie over de kwaliteit van leven en de eindigheid van het bestaan is dat deze discussie het gesprek tussen behandelaar en patiënt kan faciliteren.

Europa: een bedreiging voor de verzorgingsstaat?

Europa: een bedreiging voor de verzorgingsstaat? Dit was het thema van het derde filosofisch kwintet op 8 juli. Het economisch verhaal is gemakkelijker uit te leggen werd er gesteld. Maar misschien blijkt dit helemaal niet waar en is het juist het ontbreken van de culturele dimensie die maakt dat het verhaal niet meer wordt begrepen. De technocratisering en individualisering maken de oikoumene (heel de bewoonde wereld) onbewoonbaar. Hoe staat het eigenlijk met het cultureel kapitaal van en in Europa?

9 juli 2012

Dit was het thema van het derde filosofisch kwintet op 8 juli.
Europa wordt vooral een bedreiging genoemd in het kader van arbeidsmigratie. Volgens het kwintet berust dit hoofdzakelijk op beeldvorming. Het aantal migranten is niet heel groot en omgekeerd werken er ook Nederlanders in andere Europese landen. De beeldvorming wordt vooral politiek ingezet.
Het gaat vooral over laaggeschoold werk; werk waarvoor weinig ‘cultureel kapitaal’ nodig is. In de jaren vijftig werden de gastarbeiders onthaald. Zij betekenden een bijdrage aan de ontwikkeling van de verzorgingsstaat. De positie van de gastarbeider is sindsdien sterk gewijzigd. De toegang tot de verzorgingsstaat is moeilijker maar biedt vooral ook niet meer de mogelijkheid om te emanciperen en te ontwikkelen. Mensen blijven op deze manier aan de onderkant.

Speelt in het gevoel van bedreiging ook niet mee dat de samenleving zoveel complexer is geworden? Meedoen en je ontwikkelen vraagt in de samenleving van nu om veel meer kwaliteiten dan in de overzichtelijke wereld van de jaren ’60 en ‘70. Voelen mensen aan de onderkant zich niet sowieso bedreigd doordat zij het tempo van de veranderingen niet kunnen bijhouden. Arbeidsmigratie versterkt dan het al bestaande gevoel van uitsluiting en onbehagen. Daarover doordenkend is het steeds beter te begrijpen waarom mensen zich afkeren van Europa, van de politiek etc. en waarom populisme een stevige positie heeft.
De wereld is dus complexer en er komt zoveel meer op je af. Maar ook in de jaren ’60 was het niet eenvoudig om het belang van Europa uit te leggen. Het grote verschil is dat de elite van toen als betrouwbaar en geloofwaardig werd ervaren. Het was ook een elite die er niet op uit was om er zelf beter van te worden.
Als we kijken naar de kooplui die vandaag Europa aan de man brengen dan zijn dat politici en financiële deskundigen die geen vertrouwen genieten. De inkomensverschillen worden steeds groter. De financiële wereld kent zichzelf astronomische vergoedingen toe omdat er anders geen goede mensen te vinden zouden zijn. De afgelopen jaren is pijnlijk duidelijk geworden dat deze zelfbenoemde experts zelf ook geen zicht meer hebben op waar ze mee bezig zijn. De politieke elite blijft hameren op de zaligmakende werking van de markt terwijl steeds duidelijker wordt dat dit zijn beperkingen heeft. Economen en politici weten niet hoe ze uit de huidige crisis moeten komen. Ik zal de enige niet zijn die zich bij de invoering van de euro afvroeg hoe dat moest als een land het niet goed deed en er niet meer gedevalueerd kon worden. Ik ging er in goed vertrouwen vanuit dat de deskundigen daar wel over nagedacht hadden.

De grondslag van Europa is in de loop der tijd gesimplificeerd. Oorspronkelijk was er vooral sprake van een politiek idee en een ideaal van sociale cohesie en meer ruimte voor het individu. Sociale cohesie stond o.a. voor de gedachte dat inkomensverschillen niet te groot mochten zijn. Arbeidsmigratie was ook een bron van vitaliteit voor sociale cohesie.
Er zijn twee redenen waarom de sociale component meer naar de achtergrond is geraakt. 1. Het verhaal dat je beter wordt van Europa en dat het oorlogen voorkomt, is gemakkelijker te verkopen dan het politieke ideaal. 2. De sociale aspecten zijn wel vastgelegd in verdragen maar vervolgens gedelegeerd naar de lidstaten. [Gelijke behandeling (m/v) hebben we in Nederland vooral te danken aan Europese verdragen.]
Tegelijk is ook de nationale politiek verworden tot probleemmanagement. De beweging van depolitisering maakt dat de democratische legitimatie naar de achtergrond is geraakt. Oplossen van de crisis lijkt vooral een technisch probleem. En Europa is vooral een technocratisch project. Maar de controle op de financiële markten is niet geregeld.

De wereld is dus ingewikkelder; de verschillen zijn groter; de financiële wereld overschat zich zelf in deskundigheid en kent zichzelf grote bedragen toe die ook bij disfunctioneren uitbetaald worden. Sinds de crisis van 2008 is er niets wezenlijks veranderd en de financiële en politieke elite weet niet hoe we uit de crisis moeten komen. Het verhaal van Europa wordt alleen verteld in termen van wat het oplevert en opgeleverd heeft en dat het ons nog veel meer kost als we er zouden uitstappen.

Is het raar dat mensen achter een hofnar aanlopen die roept dat keizer Europa geen kleren aan heeft, terwijl zijn hofhouding de mooie stoffen roemt? Nog erger: ook de hofhouding heeft geen kleren aan.
Keizer Europa erken dat je naakt bent en ontsla je ondeugdelijke adviseurs. Ga het land in en spreek met je onderdanen, loop een pelgrimstocht, spreek onderweg met wijze mensen en ga op zoek naar je ziel. Spreek over en vanuit dienend leiderschap, gericht op de belangen van onze (kinds)kinderen. Je onderdanen zullen weer in je geloven. Je rijk zal een rijk worden dat gebouwd is op sociale cohesie zoals je dat ooit gedroomd hebt.

Het economisch verhaal is gemakkelijker uit te leggen, werd er gesteld in het filosofisch kwintet.
Maar misschien blijkt dit helemaal niet waar en is het juist het ontbreken van de culturele dimensie die maakt dat het verhaal niet meer wordt begrepen. We hebben verbindende verhalen nodig maar die hebben een voedingsbodem nodig; taal waarin we kunnen ‘wonen’, liefhebben, gelukkig zijn. De technocratisering en individualisering maken de oikoumene (heel de bewoonde wereld) onbewoonbaar, een eendimensionale wereld. Sprookjes zijn niet waar maar wel van waarde om de werkelijkheid te begrijpen.
In de eerste alinea werd gesteld dat Europa vooral een bedreiging is/ lijkt als het gaat over laaggeschoold werk; werk waarvoor weinig ‘cultureel kapitaal’ nodig is.
Hoe staat het eigenlijk met het cultureel kapitaal van en in Europa?

Wat is werk en de waarde van werk?

Het filosofische kwintet bood vandaag een boeiende discussie over de visie op arbeid in onze samenleving van vandaag. Het meest recent staat werk vooral in het teken van consumptie en hedonisme en is het van belang om de economie te laten groeien en de welvaart op peil te houden. Een belangrijk aspect hierbij is dat de verzorgingsstaat klein moet worden gehouden. Arbeid wordt van een vorm van zelfverwerkelijking vooral een plicht.
Hiermee gaat de slinger dus weer terug naar arbeid als economisch nut in plaats van als mogelijkheid voor persoonlijke ontwikkeling.

24 juni 2012

Het filosofische kwintet bood vandaag een boeiende discussie over de visie op arbeid in de samenleving van vandaag.

De waarde die we toekennen aan arbeid is in de loop van de tijd veranderd. Ik schreef er op deze plaats al eerder over. http://bit.ly/MGQono Werk was ooit iets voor slaven, werd vervolgens een plicht en later de mogelijkheid voor zelfverwerkelijking. Het meest recent  staat werk vooral in het teken van consumptie en hedonisme en is het middel om de economie te laten groeien en de welvaart op peil te houden. Een belangrijk aspect hierbij is dat de verzorgingsstaat klein moet worden gehouden. Arbeid wordt van een vorm van zelfverwerkelijking vooral een plicht.
Hiermee gaat de slinger dus weer terug naar arbeid als economisch nut in plaats van als mogelijkheid voor persoonlijke ontwikkeling. Het loopt parallel met de ontwikkeling van de samenleving waarin alleen economie en geld ertoe lijken te doen.
Terecht werd in het filosofisch kwintet opgemerkt dat werk pas werk heet als ervoor betaald wordt. Wie buitenshuis gaat werken draagt bij aan de economie en als je – om te kunnen werken – iemand inhuurt om je kinderen op te vangen of je werk als mantelzorger over te nemen dan draag je dus dubbel bij aan de economie. Meer kapitalisme of terug naar het kapitalisme.
Het gaat er dus om wat we als samenleving nodig vinden maar vooral of we bereid zijn om ervoor te betalen.

Tegelijk lijkt onvoldoende tot de politiek door te dringen dat het huidige beleid de economie kleiner maakt. We worden geacht weer meer zelf te doen; vrijwilligerswerk, mantelzorg etc. worden bevorderd. De overheid is pas bereid ervoor te betalen als het echt niet anders kan … en zelfs dan … De houdbaarheid van de verzorgingsstaat staat immers onder druk. Of wordt dat ons aangepraat?
Daarnaast ontstaat een beweging waarin de informele economie groeit. Diensten worden uitgeruild, zie ook wat ik hier eerder over schreef http://bit.ly/OeGtc6. Van twee kanten staat de economie dus onder druk. Enerzijds door de overheid van bovenaf, anderzijds door de informele economie van onderaf. En dat terwijl de economie moet groeien om uit de crisis te komen.
Een nieuwe definitie van economie is dringend gewenst.

Die noodzakelijke groei is wel een punt van aandacht. Sinds de jaren ’60 hebben we begrotingstekorten. Economische groei beloont dit.  De inflatie maakt dat de schulden vanzelf kleiner worden zonder dat we er iets voor hoeven te doen. Groei is noodzakelijk om de tekorten achteraf te dekken. Het is een lastig dilemma. We leven op de pof dus we hebben groei nodig. Maar we worden niet gelukkiger van groei en van meer consumeren ten koste van toekomstige generaties. We hebben ons in een positie gemanoeuvreerd waarin we verstrikt zitten in tegenstrijdige belangen.

Werkloos
Uit onderzoek naar geluksbeleving blijkt dat we de norm van de samenleving internaliseren. Mensen die gelegitimeerd niet kunnen werken of ‘genieten’ van de VUT (dat laatste wordt minder) zijn gelukkiger – blijkt uit het onderzoek. Mensen die werkloos zijn (tegen de maatschappelijke norm) zijn relatief ongelukkig. Wat niet genoemd werd in het filosofisch kwintet is dat dit niet alleen met internalisering van de maatschappelijke norm heeft te maken maar vooral met het feit dat je de regie over je bestaan kwijt bent als je in een uitkeringssituatie zit. Je moet verantwoording afleggen over je activiteiten om aan het werk te komen en verantwoorden waarom je niet in de kassen kunt/ wilt werken, je moet je financiële situatie met enige regelmaat op tafel leggen, je moet melden als je een paar dagen van huis bent etc. En dan moet je op psychologisch niveau ook nog om zien te gaan met het oordeel van de samenleving en je eigen gevoel van falen.

Ik ben benieuwd naar het volgende filosofisch kwintet: over niet werken.