Begrotingsbesprekingen Sociale Zaken. Tweede Kamerleden, word wakker!

De voorstellen van minister Kamp zijn grotendeels gebaseerd op de aanname dat er krimp dreigt op de arbeidsmarkt. Dit is onjuist en daarom, naast kritische kanttekeningen, een aantal alternatieven .

Het misverstand blijkt niet uit te roeien. De overtuiging blijft de kop opsteken dat uitstroom van de babyboomgeneratie (geboren tussen 1945 en 1955) een gat achterlaat op de arbeidsmarkt. Ook in de benadering van minister Kamp is de vermeende krapte een belangrijke richtinggever voor de keuzes die gemaakt worden:

14 december, begroting – Hoe zorgen we ervoor dat zo veel mogelijk mensen meedoen op de arbeidsmarkt? Die vraag staat centraal voor minister Kamp en staatssecretaris De Krom van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Zij reageren op de eerste termijn van de Kamer op 13 december.

Bestrijding fraude met uitkeringen, activering arbeidsgehandicapten,stimulering langer doorwerken, aanpak armoedeval, verhuisplicht voor bijstandsgerechtigden. De regering doet er alles aan om de arbeidsparticipatie te verhogen: iedereen die kan werken, moet werken. De belangrijkste reden hiervoor is de vergrijzing, betogen de minister en de staatssecretaris. Die zorgt voor een daling van de beroepsbevolking en tegelijkertijd voor een grotere vraag naar zorgpersoneel.

Op deze pagina, diverse malen in mijn blog en in het artikel in Trouw heb ik aangetoond dat er geen krapte op de arbeidsmarkt ontstaat maar een tekort aan banen. Bovenop de huidige werkloosheid is er de komende tien jaar een groei van de beroepsbevolking te verwachten van bijna een half miljoen mensen.

Wat betekent dit voor de begrotingsbesprekingen in de Tweede Kamer?
Onder de huidige omstandigheden biedt het geen oplossing om de arbeidsparticipatie te willen vergroten. Volgens Kamp is de overheid geen banenmotor en daarin heeft hij gelijk of toch niet …?
De overheid is de grootste werkgever en heeft de mogelijkheid om de economie te laten groeien. Investeer in onderwijs, zorg, duurzaamheid en zie dit als onderdeel van de opbrengstenkant van het BNP in plaats van kostenpost.

Wat kan de overheid verder doen om de banengroei te stimuleren?
De factor arbeid moet goedkoper worden. Minder belastingen over lonen en meer over de andere productiefactoren. Dit moedigt werkgevers aan om vaker te kiezen voor banen in plaats van investeren in productiemiddelen. Is het een rare gedachte om de onderste schijf (bijv. tot het minimumloon) voor belastingen op 0 te zetten en dit te compenseren in de hogere schijven?

Verplichtingen voor werkzoekenden
Werkgevers kunnen/ mogen we niets opleggen. Werkzoekenden wel. Een werkzoekende dwingen om te verhuizen van bijv. Oost-Groningen naar de Randstad moet mogelijk zijn. Zou het niet slimmer zijn om voor die baan in de Randstad ook een werkzoekende te vinden in de Randstad? Nog los van wat het betekent voor de werkzoekende uit Oost-Groningen om te verhuizen: huis niet aan de straatstenen kwijt kunnen, geen woning te vinden in de buurt van je nieuwe baan, beginnen met een jaarcontract en is dat alle investeringen waard als je na een jaar misschien wel weer op straat staat? En doet bijv. de WMO niet een beroep op sociale samenhang en wat blijft daarvan over? En wat als je partner wel een baan heeft – ook al brengt die te weinig op om samen van te leven?

Verkorten van WW-rechten of solidariteit?
Eén van de maatregelen die wordt genoemd om het huishoudboekje van de overheid op orde te brengen is het verkorten van de WW. Dit betekent dat de mensen die de domme pech hebben om in de WW te belanden nogmaals worden afgestraft. Werkenden mogen zich gelukkig prijzen dat ze werk hebben – waarmee ze in eigen onderhoud kunnen voorzien en dat zo belangrijk is voor je persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling – en zouden zich solidair kunnen verklaren met werkzoekenden. Dan kunnen we die werkenden vragen om 1% in te leveren in plaats van loonstijging te eisen.
De totale beroepsbevolking is 7,4 miljoen, het totaal aantal werklozen is 455 duizend. De laatste leveren al bruto 30% in voor zover ze recht hebben op WW; dan is 1% ‘solidariteitsheffing’ toch niet teveel gevraagd?

Vergrijzing leidt niet tot krapte op de arbeidsmarkt

Vergrijzing leidt niet tot krapte op de arbeidsmarkt. De kritiek van Marco Hendriks dat dit niet is gebaseerd op de juiste feiten weerlegd.

4 november 2011

O.a. in Trouw heb ik betoogd dat de algemeen heersende opvatting dat vergrijzing zou leiden tot krapte op de arbeidsmarkt, niet juist is.
Onder de titel “Wel of geen arbeidsmarktkrapte bepalen aan de hand van juiste feiten” bekritiseert Marco Hendriks op zijn blog (Interim Intelligence) mijn betoog.

Graag wil ik beginnen met wat ik met mijn publicaties wil bereiken. Op de eerste plaats wil ik het misverstand ontzenuwen dat vergrijzing en de zogenaamde ‘grote uitstroom van de babyboom’ leidt tot krapte op de arbeidsmarkt. Kijk om je heen. De 60-ers van nu werken slechts in beperkte mate terwijl de 30-ers volop werken. Dat moet betekenis hebben voor de arbeidsmarkt.
Op de tweede plaats stoort het mij dat professionals elkaar napraten en schrijven met cijfers die kant noch wal raken. Zoals de uitspraak dat er met de babyboom 800.000 mensen de komende jaren van de arbeidsmarkt vertrekken tegenover een instroom van 400.000 jongeren.
Op de derde plaats wil ik het misverstand ontzenuwen omdat het valse verwachtingen wekt bij veel werkzoekenden maar ook bij hun begeleiders.
Nuance: op diverse plekken heb ik geschreven dat dit verhaal natuurlijk niet universeel geldig is voor alle sectoren, regio’s etc.

Nu de argumenten: Hendriks voert aan dat de overheid al jaren terug doelstellingen heeft geformuleerd voor het laten stijgen van de arbeidsparticipatie. We zijn het erover eens dat de arbeidsparticipatie de afgelopen jaren fors is gestegen; het is de vraag in hoeverre dit het gevolg is van overheidsbeleid of van andere factoren.

Hendriks is het ook met mij eens dat er juist meer mensen beschikbaar komen voor de arbeidsmarkt in plaats van een dalend arbeidsaanbod als gevolg van de vergrijzing. En dit is precies de kern van mijn betoog. Er wordt nog te vaak het verband gelegd tussen vergrijzing en krapte op de arbeidsmarkt. Deze misvatting heb ik willen bestrijden en dat blijkt nog steeds nodig. Recent hoorde ik op een congres een arbeidsmarktonderzoeker spreken over de grote uitstroom van de babyboom. De bekende babyboom is helemaal niet zo groot; de bevolkingsgroep 55-65 jaar is 125.000 groter dan de groep 15-25 jarigen die hen op de arbeidsmarkt gaat vervangen (2,153 tegen 2,028 miljoen). En daarbij geldt dat de arbeidsparticipatie van de ouderen laag is (60-65 jaar 30% en 55-60 jaar 65%. Die grote uitstroom bij de mannen heeft al plaatsgevonden terwijl voor de vrouwen geldt dat in deze generatie de arbeidsparticipatie altijd laag is geweest. Veel vrouwen van deze generatie stopten met betaald werk bij het krijgen van kinderen en is later niet meer gaan werken.

Vervolgens introduceert Hendriks een nieuw element in de discussie: werken de nieuwkomers genoeg uren of is parttime werken de oorzaak van een toekomstig tekort.
Hendriks noemt het Centraal Planbureau dat uitgaat van de verwachting dat het gemiddelde aantal gewerkte uren per week licht zal dalen. Oudere werknemers werken minder uren en volgens Hendriks betekent dit dat de vergrijzing dus wel degelijk effect gaat hebben.
Dat valt te betwisten. In mijn eerdere publicaties kwam ik op een stijging van het arbeidspotentieel van 450.000 mensen tot 2020. Stel dat deze allemaal halftime gaan werken dan is er nog steeds een groei van ruim 200.000 fte. Overigens gaat het SCP in zijn memorandum uit van een daling van de gemiddelde werkweek van 33,5 in 2006 naar 33 uur in 2040.

In tegenstelling tot wat Hendriks stelt, heb ik in diverse publicaties wel aandacht gegeven aan de banengroei. Uit de officiële cijfers blijkt dat de banengroei vooralsnog minimaal is. We mogen hopen dat de economische crisis binnen afzienbare tijd achter ons ligt en er weer banengroei ontstaat. Overigens gaan wetenschappers als Paul de Beer van de Universiteit van Amsterdam er vanuit dat de arbeidsmarkt flexibel is en zich aanpast aan een eventueel tekort. Paul de Beer verwijst o.a. naar Duitsland waar al 10 jaar een feitelijke krimp van de bevolking gaande is terwijl de werkloosheid op hetzelfde peil blijft.

Vervolgens noemt Hendriks het toenemend beroep op de zorg als gevolg van de vergrijzing. Ik heb nog geen cijfers kunnen vinden waaruit blijkt dat de periode van ziekte en behoefte aan zorg langer duurt met het stijgen van de levensverwachting. Mensen blijven langer gezond. De tendens is dat mensen steeds langer zelfstandig blijven terwijl het in de jaren ’60 toch redelijk gebruikelijk was om je plekje in het bejaardentehuis rond je 65e jaar geregeld te hebben. De belangrijkste toename van het beroep op de zorg zit in de toename van de behandelmogelijkheden. Ook voor ouderen en dan gaat de vergrijzing wel tellen.

Bij de slotconclusie van Hendriks zijn we het weer eens. De belangrijkste oorzaak van het feit dat ouderen langs de kant blijven staan, zijn de vooroordelen van werkgevers met betrekking tot de inzet van oudere werknemers. Maar werkgevers kunnen zich vanwege het groeiend aanbod van werknemers ook permitteren om te volharden in hun vooroordelen.
Zijn slotconclusie: “Het wegnemen van vooroordelen omtrent oudere medewerkers, het scholen van medewerkers en werklozen, dáár moet aandacht voor zijn.” onderschrijf ik volledig
De aansluiting tussen vraag en aanbod kan sterk verbeterd worden. Ook door oudere werknemers de gelegenheid te bieden én uit te dagen om zich te blijven ontwikkelen. Het rendement van scholing van oudere werknemers is hoger dan het rendement van scholing van jonge werknemers. Ook voor werkzoekenden geldt dat scholing loont. Maar scholing is pas echt effectief als het gekoppeld is aan een baan.
Oproep aan werkgevers: stel een werkzoekende aan, bied hem of haar scholing en je krijgt een uiterst gemotiveerde, gekwalificeerde en loyale werknemer.