Participatie-samenleving

23 september 2013

“Als het kabinet meer participatie wil, valt er veel te winnen bij vrijwilligers”
betoogt Evelien Tonkens, bijzonder hoogleraar actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam, in Trouw van 23 september.
Tonkens: “De regering ontmoedigt participatie door bezuinigingen op talloze andere regelingen, activiteiten en openbare plekken die mensen in staat stellen om aan de samenleving deel te nemen.
De kosten voor ouderenzorg zijn nauwelijks gestegen en bestaan voor 80% uit premies, slechts 20% komt van de overheid. Ouderenzorg genereert wel duizenden banen voor laagopgeleiden en maakt het voor veel ouderen en hun kinderen mogelijk om te participeren. Kortom: de participatiesamenleving is een uitstekend idee: investeer daarom in de publieke sector in plaats van deze af te breken.”

Tonkens doet een aantal aanbevelingen waaronder een verrassende:
“Start de campagne: ‘De schaamte voorbij!’ We zijn allemaal afhankelijk, van de overheid, werkgevers, vrienden, familie, internet, het waterschap en het wegennet. Dat is niks om je voor te schamen. We mogen trots zijn op een participatiesamenleving die iedereen dankzij onze inspanningen, belastingen en premies in staat stelt om schaamteloos afhankelijk te zijn en naar eigen vermogen te participeren.”

Solidariteit

Solidariteit staat onder druk. Solidariteit tussen generaties. Solidariteit met mensen die meer zorg nodig hebben en daarom als een ‘kostenpost’ worden gezien voor de mensen die gezond zijn.
Wordt solidariteit niet juist ondergraven wordt door alle negatieve aandacht.
Gelukkig de gezonde mens; het kan morgen zomaar anders zijn.
Gelukkig de mens die financieel voor zichzelf kan zorgen – ook op zijn oude dag.
Echte solidariteit is gebaat bij minder streven naar het eigen belang en meer naar het gemeenschappelijk belang. Bij solidariteit moet ik denken aan het verhaal van de ganzen.

29 maart 2013

Ik hoor en lees veel over solidariteit die onder druk staat. Solidariteit tussen generaties.
Solidariteit met mensen die meer zorg nodig hebben en daarom als een ‘kostenpost’ worden gezien voor de mensen die gezond zijn.
Ik vraag me soms af of die solidariteit niet juist ondergraven wordt door alle negatieve aandacht.
Gelukkig de gezonde mens; het kan morgen zomaar anders zijn. Afhankelijk zijn van de zorg van anderen is een (op)gave.
Gelukkig de mens die financieel voor zichzelf kan zorgen – ook op zijn oude dag. Bied je kinderen de kans om zich te ontwikkelen in plaats van je spaargeld. Zie ook mijn vorige blog.

Echte solidariteit is gebaat bij minder streven naar het eigen belang en meer naar het gemeenschappelijk belang. Als het de gemeenschap goed gaat dan gaat het ook goed met de individuen in die gemeenschap. Het omgekeerde is niet waar. Mensen hebben hun beperkingen, worden ziek, maken fouten etc. In een betrokken gemeenschap blijf je een kostbaar mens. In een samenleving gebaseerd op kosten en baten, word je vooral een kostenpost.

Bij solidariteit moet ik denken aan het verhaal van de ganzen.

Ganzen in V-formatie

In de herfst, als je de ganzen op weg naar het zuiden ziet gaan voor de winter, overvliegend in V-formatie, kun je denken aan de feiten die de wetenschap ontdekt heeft over de vraag waaróm ze op die manier vliegen.


Iedere vogel die met zijn vleugels slaat, creëert daarmee een opwaartse kracht voor de vogel die onmiddellijk achter hem vliegt.
Mensen die een gezamenlijke richting en een gevoel van gemeenschap met elkaar delen, kunnen sneller en gemakkelijker komen waarheen ze op weg zijn, omdat ze reizen met behulp van elkaars stuwkracht.
Als een gans uit formatie valt, voelt hij plotseling de remming en de weerstand bij zijn poging om alleen te vliegen … en hij gaat snel terug in formatie, om weer te profiteren van het hefvermogen van de vogel voor hem.
Als we net zo slim zijn als een gans, blijven we in formatie met diegenen die dezelfde richting als wij opgaan.

Als de gans op kop moe wordt, neemt hij een plaats meer naar achteren in en vliegt een andere gans op kop. Het is verstandig om van beurt te wisselen als je een veeleisende klus doet, net zoals de ganzen die naar het zuiden vliegen.
Ganzen “gakken” vanuit de achterhoede om degene die op kop gaan aan te moedigen om op snelheid te blijven.  Wat zeggen wij als wij van achteruit “gakken”?
Tenslotte, en dit is belangrijk, als een gans ziek wordt of gewond raakt door geweerschoten en daardoor uit formatie valt, vallen 2 andere ganzen met die gans mee en volgen hem naar beneden om hulp en bescherming te verlenen. Ze blijven bij de uitgevallen gans totdat die weer kan vliegen, of tot hij sterft; dan pas stijgen ze weer op om, in een andere formatie, zich weer bij hun groep te voegen.

Als we het verstand van een gans hebben, zullen we elkaar net zo bijstaan!

(bron onbekend)

Crisistax als alternatief voor een rammelend regeerakkoord

In alle rumoer rond de inkomensafhankelijke zorgpremie is het opvallend is dat we deze dagen het woord transparantie niet horen. Laten we het eenvoudig houden. We zitten in een crisis waarvan we mogen aannemen dat deze tijdelijk is. Voer een crisistax in voor hogere inkomens. Op het moment dat de crisis over is, wordt deze weer afgebouwd. En neem intussen maatregelen waarmee de inkomenspolitiek gevoerd wordt via de belastingen en niet via verzekeringspremies e.d.

9 november 2012

Moeten de rijken in de crisis grotere offers brengen? Ja, helemaal mee eens. Maar de vraag is hoe. De reactie van goedverdienende VVD’ers op de inkomensafhankelijke zorgpremie wekte mijn verontwaardiging en leedvermaak maar was ook invoelbaar. Een verzekering is gebaseerd op solidariteit, je deelt het risico. De premie is gekoppeld aan de hoogte van de eventuele schade; de premie voor een brandverzekering is hoger naarmate het huis duurder is. Dit is bij de zorgpremie niet aan de orde en een verzekeringspremie gebruiken om inkomenspolitiek te bedrijven, leidt tot een complexe samenleving waarvan niet meer duidelijk is hoe deze georganiseerd is en wat de redelijkheid is van de uitgangspunten bij de maatregelen.

Protest

Zou een andere bevolkingsgroep dan de VVD’ers die nu in het geweer kwamen, dezelfde aandacht hebben gekregen? Werkzoekenden hebben meer reden om te protesteren. Al die gezinnen die er 30% op achteruit zijn gegaan met in het vooruitzicht dat het na een jaar nog veel dramatischer wordt? En de grote groep ZZP’ers die tegen beter weten de moed erin probeert te houden? Dan gaat het niet meer om de vraag of je kind van paardrijden moet of toch maar die 2e of 3e vakantie laten vervallen. Dan gaat het om noodzakelijke verkoop van je huis … maar hoe doe je dat zonder dat je met een enorme verliespost blijft zitten? Voedselbank en kledingbank in het verschiet; de kruimels van de tafel van de rijken. Daar is ook een procentje inleveren voor de AOW’er met pensioen peanuts bij. Net als een paar procent groei in inkomen na twee maanden niet meer gevoeld wordt, went ook een paar procent minder inkomen snel.
Wat maakt dat de media zich storten op het ‘leed’ van de veelverdieners en maar beperkt aandacht hebben voor de effecten van de crisis voor de groep die werkloos wordt en financieel in zwaar weer zit?

Inkomensafhankelijk

In de jaren ’90 hebben we het idee van inkomensafhankelijke regelingen losgelaten. Studiefinanciering: studenten moesten niet langer afhankelijk zijn van hun ouders. Thuiszorg: die betalen we voor iedereen. Gelukkig komen we daar nu van terug. Wat je zelf kan betalen, regel je in veel situaties zelf. Maar niet met het doel te nivelleren maar omdat je sommige kosten moeilijk zelf kan dragen als je een bescheiden inkomen hebt.

Transparantie

Opvallend is dat we deze dagen het woord transparantie niet horen. Voortdurend wordt overal aangedrongen op transparantie. Als het ergens is misgegaan, dan is het met de transparantie van de voorgestelde maatregelen in het regeerakkoord. De koopkrachtplaatjes duikelden over elkaar heen en niemand wist en weet hoe het nu precies uitpakt. Het grotere perspectief ontbreekt. Twee agenda’s zijn in elkaar geknipt en geplakt.

Crisistax

Laten we het eenvoudig houden. We zitten in een crisis waarvan we mogen aannemen dat deze tijdelijk is. Voer een crisistax in voor hogere inkomens. Op het moment dat de crisis over is, wordt deze weer afgebouwd. En neem intussen maatregelen waarmee de inkomenspolitiek gevoerd wordt via de belastingen en niet via verzekeringspremies e.d.

Vergrijzing en zorgen om de kosten van zorg

“Nu doet u het weer … ” dacht ik. En weer werd in een debat alarm geslagen over de vergrijzing die ervoor verantwoordelijk is dat de kosten van de zorg de pan uitrijzen. Het groeiend aantal gepensioneerden ten opzichte van het aantal werkenden wordt als zorgwekkend gepresenteerd. Terwijl in 1950 tegenover ieder kind/ oudere 1,2 werkende stond, was dit in 2011 1,6 werkende. De arbeidsparticipatie is in deze periode gestegen van 39% naar 47%.

6 september 2012

In de serie debatten op weg naar de verkiezingen sprak een aantal vrouwen die als 2e op de lijst staan over de zorg.
“Nu doet u het weer … ” dacht ik. Weer werd alarm geslagen over de vergrijzing die ervoor verantwoordelijk is dat de kosten de pan uitrijzen. Het groeiend aantal gepensioneerden ten opzichte van het aantal werkenden wordt als zorgwekkend gepresenteerd. De factcheck corrigeerde één van de deelnemers: niet vier maar drie werkenden op één 65-plusser. Volgens berekeningen van het FD werkten er in 2001 nog 2,7 mensen per pensioengerechtigde tegen 2,3 in 2011.
Zou het niet reëel zijn om naar de totale demografische druk te kijken en de feiten echt laten spreken? De totale demografische druk* is in de periode 1950 – 2011 gedaald van 81,9% tot 64,2%. De groene druk is als gevolg van het teruglopend geboortecijfer sterk gedaald. Terwijl in 1950 tegenover ieder kind/ oudere 1,2 werkende stond, was dit in 2011 1,6 werkende. De arbeidsparticipatie is in deze periode gestegen van 39% naar 47%. Er is dus weinig aanleiding voor paniekverhalen.

1. Dit betekent niet dat er geen reden is om kritisch naar het beleid te kijken. Het aantal ouderen groeit en het aantal jaren dat zij te kampen hebben met chronische ziekten stijgt. Maar ik vraag me af in hoeverre dit te maken heeft met de aandacht voor preventieve screening. Leeftijdgenoten (ik ben 61) kijken me verbaasd aan als ik zeg dat ik geen medicijnen gebruik. Ik vertel er wel bij dat ik ‘vals speel’ omdat ik mij nog nooit heb laten onderzoeken op cholesterol, botontkalking of andere mogelijk chronische kwalen.
En de stijgende kosten van de AWBZ? Ik ben zo benieuwd naar een onderzoek dat niet alles op één hoop veegt. Wat is er uit andere potjes de afgelopen 10 jaar onder de AWBZ geschoven. Waar zit de stijging? In overhead, personeelskosten, reclame, patiëntvriendelijker uitstraling, nieuwe technieken? Wat is het percentage dat naar directe patiëntenzorg gaat en hoe hard is dat gestegen? Bij het ministerie zou dat toch bekend moeten zijn maar we krijgen alleen de totale stijging gepresenteerd.

2. Dit betekent ook niet dat het niet goed is om langer door te werken. En dit gebeurt ook massaal. Terwijl in de jaren ’90 de werknemers nog massaal met de VUT gingen tussen 55 en 60 jaar, is het nu vanzelfsprekend dat iedereen doorwerkt tot zijn 65e. De groep die al is uitgetreden, gaat niet opnieuw aan het werk maar de 60-ers van nu werken door. De vrouwen maken op dit punt nog een inhaalslag. Tot 2020 is dit effect nog merkbaar met een stijging van het aantal mensen dat wil werken. De vraag is of de economie zich zo herstelt dat het werk er ook is. Voorlopig lijkt er weinig reden tot optimisme.
Op vragen van de PVV over mogelijke verdringing waardoor jongeren minder gemakkelijk aan het werk komen, gaf minister Kamp als antwoord dat een groter arbeidsaanbod tot meer werk en meer welvaart leidt. Ik ken de context van vraag en antwoord niet maar dit lijkt wel heel gemakkelijk. Als de principes van de markt hier zouden werken dan zou het groter aanbod van werknemers leiden tot een prijsdaling voor arbeid. Het lijkt me niet dat dit is wat minister Kamp bedoelde.

Het gevaar van alle aandacht voor de grijze druk is dat het psychologische draagvlak voor de verzorgingsstaat wordt ondermijnd. Het versterkt het gevoel van werkenden dat zij ‘al die ouderen’ moeten onderhouden en geeft ouderen het gevoel dat zij alleen nog maar tot last zijn. Terwijl de ouderen toch hun aandeel hebben geleverd aan de welvaart van de volgende generaties.

* De som van het aantal personen van 0 tot 20 jaar en 65 jaar of ouder in verhouding tot de personen van 20 tot 65 jaar. Dit cijfer geeft inzicht in de verhouding van het niet-werkende deel van de bevolking tot het werkende deel van de bevolking, CBS 

Verkiezingsprogramma’s Sociale zekerheid

Ik heb mijzelf uitgedaagd om een vergelijking te maken tussen de verkiezingsprogramma’s op het gebied van arbeidsmarkt en sociale zekerheid, schreef ik in mijn vorige blog. Na een eerste algemene vergelijking van de programma’s is het nu de beurt aan sociale zekerheid.

3 september 2012

Werkzekerheid en sociale zekerheid

Ik heb mijzelf uitgedaagd om een vergelijking te maken tussen de verkiezingsprogramma’s op het gebied van arbeidsmarkt en sociale zekerheid, schreef ik in mijn vorige blog. Na een eerste algemene vergelijking van de programma’s is het nu de beurt aan sociale zekerheid.
Ik kijk hier vooral naar concrete beleidsvoornemens en doe een poging om de informatie toegankelijk te maken.
De toon – zoals te verwachten – is erg wisselend. Waar de VVD er vooral vanuit gaat dat de kosten beperkt moeten worden, werklozen niet moeten zeuren maar werken en ondernemers meer ruimte moeten krijgen, leggen de SP en de PvdA het accent vooral op bescherming van werknemers en van mensen met een beperking.
Als het over ontslagbescherming gaat dan willen SP en PVV dat deze blijft zoals die is. Andere partijen zetten in op werkzekerheid in plaats van baanzekerheid. De ontslagvergoeding wordt vervangen door scholingsmogelijkheden.
De ChristenUnie besteedt veel aandacht aan maatregelen om de jeugdwerkloosheid terug te dringen.
Ambtenaren houden bij de SP hun bijzondere rechtspositie. De VVD en PvdA willen deze rechtspositie gelijk trekken met die van werknemers.

Hieronder een aantal plannen en voornemens voor sociale zekerheid van de acht partijen met meer dan vijf zetels in de Tweede Kamer.

Een selectie uit de programma’s (partijen in alfabetische volgorde):

CDA
  • Werkgevers krijgen een premiekorting om (werkloze) ouderen in dienst te nemen.
  • Er moet een taskforce jeugdwerkloosheid komen.
  • Werkgevers zijn vooralsnog verplicht maximaal een half jaar lang de kosten van de WW aan het UWV te vergoeden. Op termijn wordt deze verplichting omgezet in de verplichting samen afspraken te maken over loondoorbetaling bij ontslag en (preventief) te investeren in scholing.
ChristenUnie
  • Een hogere ontslagvergoeding is mogelijk wanneer deze in termijnen wordt uitbetaald. Als binnen de termijnperiode een baan wordt gevonden, wordt het restant als premie verdeeld over werkgever en werknemer.
  • Werknemers krijgen een talentenbudget dat zij ook naar een nieuwe baan kunnen meenemen.
  • Werkgever en werknemer zijn in eerste instantie samen verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe baan. De werkgever houdt deze verantwoordelijkheid maximaal een jaar.
D66
  • De WAJONG, WSW en WWB worden ondergebracht in 1 wet.
  • Zoveel mogelijk mensen moeten aan de slag bij reguliere werkgevers.
  • De mogelijkheden van mensen die nu in de oude regelingen zitten worden opnieuw bekeken. Gemeenten gaan de nieuwe wet uitvoeren. Cruciaal is dat zij voldoende middelen krijgen voor begeleiding naar werk.
GroenLinks
  • Participatie in de vorm van werk wordt ten minste beloond met het minimumloon.
  • De kinderbijslag wordt inkomensafhankelijk.
  • De positie van zelfstandigen en hun toegang tot de sociale zekerheid wordt verbeterd.
PvdA
  • Er komt er een nieuwe werk-naar-werkregeling: werkgevers betalen de eerste zes maanden van de WW loon door. Dit geldt ook voor flexwerkers.
  • Werkgever en werknemer stellen bij werkloosheid een verplicht werk-naar-werk plan op. Aan het eind van de eerste zes maanden werkloosheid wordt getoetst of beide partijen genoeg gedaan hebben om nieuw werk te vinden.
  • Geen voorkeursbehandeling voor ambtenaren.
PVV
  • Sociale zekerheid wordt ontzien: opkomen voor de mensen die een steuntje in de rug kunnen gebruiken.
  • De WW en de ontslagvergoeding blijven in tact.
SP
  • Wie met een uitkering volwaardig werk verricht, krijgt ook een volwaardig loon.
  • Het sociaal minimum wordt verhoogd. Wie naar vermogen werkt krijgt in ieder geval het wettelijke minimumloon. Als loonaanvulling noodzakelijk is kunnen loonkostensubsidies worden ingezet.
  • Zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers) die werk verrichten dat in hun sector voornamelijk in loondienst wordt gedaan, komen onder de sociale zekerheid. De werkgever die hen opdracht geeft betaalt pensioenpremies en premies voor arbeidsongeschiktheid.
VVD
  • De WW-uitkering wordt de eerste drie maanden verhoogd en de duur wordt verkort.
  • De kantonrechtersformule en de gang naar het UWV bij ontslag worden afgeschaft. In de wet wordt een vaste ontslagvergoeding van een week per gewerkt jaar opgenomen (met een maximum van een half jaarsalaris).
  • Opeenvolgende arbeidscontracten tot een maximale duur van vijf jaar worden mogelijk.

Een coalitie van CDA, ChristenUnie, D66, GroenLinks en PvdA moet op basis van hun programma’s tot mooie plannen kunnen komen waarin de sociale zekerheid wordt hervormd, baanzekerheid wordt vervangen door werkzekerheid (werknemers niet langer aan hun stoel blijven plakken vanwege een riante ontslagvergoeding) en kwetsbare groepen niet in de kou worden gezet.

De verzorgingsstaat anno 2012

Het filosofisch kwintet van Human nodigde vijf weken lang uit om na te denken over de verzorgingsstaat. Na vijf wekelijkse besprekingen nu een poging tot een overzicht. Over feiten en beeldvorming. Over economisering, typen verzorgingsstaat en over het Rijnlands model tegenover het Angelsaksisch model.

29 juli 2012

Het filosofisch kwintet van Human nodigde vijf weken lang uit om na te denken over de verzorgingsstaat. In de opening van elke aflevering werd aangegeven: “We krijgen dagelijks te horen dat de verzorgingsstaat in de huidige vorm niet te handhaven is.” Maar de vraag of dit waar is, is niet aan de orde geweest. Na vijf wekelijkse besprekingen nu een poging tot een overzicht.

De verzorgingsstaat is er voor mensen die (nog) niet, niet meer, of tijdelijk niet voor zichzelf kunnen zorgen. Daarvoor hebben we onderwijs, AOW en pensioenen en gezondheidszorg. Deels als overheidstaken, deels via verzekeringen.
Met de vergrijzing groeit het aantal mensen dat een beroep doet op de verzorgingsstaat is de algemeen heersende gedachte. De feiten spreken dit tegen. De demografische druk (CBS: som van het aantal personen van < 20 jaar en > 65 jaar in verhouding tot het aantal personen van 20 tot 65 jaar) is in de periode 1950 – 2011 gedaald van 81,9% tot 64,2%. In dezelfde periode is de welvaart toegenomen. Dit betekent dat de draagkracht van de samenleving om een vangnet te creëren, is toegenomen. Het gaat dus niet zozeer over draagkracht maar over het draagvlak, de legitimiteit van de verzorgingsstaat. Hiermee is overigens niet gezegd dat het niet een goede gedachte is om de pensioenleeftijd op te trekken.

Economisering

Terecht is opgemerkt dat op alle terreinen sprake is van economisering. Als individu word je gestimuleerd een calculerende burger te zijn. Jaarlijks ‘moet’ je het aanbod van energiemaatschappijen en van zorgverzekeringen vergelijken om te onderzoeken of er nog een paar tientjes te verdienen zijn. Voor de samenleving wordt de markt geïdealiseerd die het allemaal zoveel efficiënter en goedkoper maakt. Ook hier lijkt er een verschil tussen feiten en beeldvorming. Onwetendheid of bewust sturen op het gewenste beeld? Ik herinner mij een discussie die ik voerde met een politicus over aanbesteding van re-integratietrajecten. ‘Het was toch allemaal zoveel goedkoper geworden’. Maar de kosten van het aanbestedingssysteem zelf werden niet meegerekend. Hoeveel ambtenaren waren bezig geweest om daar een bruikbaar protocol voor te ontwikkelen en de offertes te beoordelen. En maatschappelijk gezien: hoeveel talent was verspild aan het uitbrengen van offertes door bureaus die buiten de boot vielen. En dan hebben we het nog niet over het feit dat prijs boven kwaliteit ging.
De economisering speelt een rol in het onderwijs, zo is geconstateerd. Het onderwijs moet mensen afleveren die kunnen bijdragen aan (de groei van) de economie. De kosten van de gezondheidszorg lijken minder van belang als de zorg leidt tot genezing waardoor mensen weer economisch kunnen bijdragen.
De instituties worden als gevolg van de economisering grote onoverzichtelijke instellingen met extra bestuurslagen, waarin de organisatiebelangen (en belangen van het management) belangrijker lijken dan de inhoud en de kwaliteit van het onderwijs/ de gezondheidszorg. De schaalvergroting leidt ook tot een groter risico van mismanagement met maatschappelijke gevolgen die moeizaam op te vangen zijn.

Uitvallers

Uitvallers zijn die mensen die tijdelijk of permanent niet voor zichzelf kunnen zorgen. Mensen die niet mee kunnen in het onderwijs zijn of worden relatief vaak uitvallers.
Ook ongezond gedrag vergroot het risico op uitvallen – en door hun beroep op de gezondheidszorg vormt deze groep een kostenpost voor de verzorgingsstaat. Zowel in de aflevering over uitvallers als in de aflevering over het onderwijs werd gesproken over een samenleving die hard is voor mensen die niet mee kunnen.
Over niet werken: ”De samenleving is hard. Mensen zijn niet allemaal in staat om in deze harde en complexe samenleving aan de norm te voldoen.”
Over het onderwijs: “Er is sprake van hardvochtigheid en harteloosheid naar jongeren die het cognitief niet aan kunnen. De leerplicht verwordt voor deze groep vaak tot een aanwezigheidsplicht.” Leren wordt hiermee een negatieve ervaring en de natuurlijke leergierigheid en het plezier van jezelf ontwikkelen wordt de kop ingedrukt.

Een andere dimensie van uitvallen wordt gevormd door mensen die zich weinig gelegen laten liggen aan omgangsvormen. Het onderwijs moet opvoedkundige taken overnemen en vindt ouders tegenover zich in plaats van dat ouders en leerkrachten gezamenlijk optrekken. Het individualisme en het gebrek aan gedeelde normen en waarden zijn oorzaak van het ontbreken van solidariteit en samenhang.
Als coach heb ik jarenlang gewerkt met uitvallers. Het is geweldig om te zien hoe mensen weer in beweging komen, het gevoel krijgen dat ze erbij horen, plezier krijgen in nieuwe dingen leren, zich ontwikkelen. Ik herinner mij een vrouw met een slechte naam bij alle hulpverleningsinstellingen waarmee ze te maken had. Na een kort traject kwam ze in beweging. Op de vraag waarom het nu wel lukte zei ze: “omdat ik me eindelijk als mens behandeld voelde”. Ook uitvallers zijn mensen met – onbenutte – kwaliteiten. Zowel voor het individu als voor de samenleving is het van grote waarde als die onbenutte kwaliteiten ontwikkeld en ingezet kunnen worden.

Europa

Misschien kunnen we wel stellen dat Europa symbool staat voor het gebrek aan draagvlak voor de verzorgingsstaat. Mensen voelen zich bedreigd door een samenleving die steeds complexer wordt. En de schaalgrootte van Europa versterkt dat gevoel van bedreiging. Meedoen en je ontwikkelen vraagt in de samenleving van nu om veel meer kwaliteiten dan in de overzichtelijke wereld van de jaren ’60 en ‘70. Vooral de uitvallers voelen zich bedreigd doordat zij het tempo van de veranderingen niet kunnen bijhouden. De elite die destijds voorop liep met Europese idealen was er niet op uit om er zelf beter van te worden en werd nog als betrouwbaar en geloofwaardig ervaren. De huidige politici en financiële deskundigen, die ondanks de crisis de voordelen van Europa aanprijzen, weten zelf ook niet hoe het verder moet en worden niet langer vertrouwd.

Visie op de verzorgingsstaat

De Deense socioloog Esping-Andersen (bron: Wikipedia) maakte een onderscheid in verschillende typen verzorgingsstaten. Nederland wordt beschouwd als mengvorm: gericht op corporatisme in West-Europa en op democratisch-socialisme in Noord-Europa.
Het sociaaldemocratisch of Scandinavisch type kent een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid met relatief hoge, vrij algemeen toegankelijke uitkeringen. De burgers betalen veel premies en belasting, met als gevolg dat er goede regelingen voor ouderschapsverlof en een hoge arbeidsmarktparticipatie is, ook door vrouwen.
Het corporatistisch of continentaal type heeft ook een hoog voorzieningsniveau, maar de toekenning van rechten is selectiever. Werknemers- en werkgeversorganisaties spelen een belangrijke rol; de rol van de overheid op de arbeidsmarkt is beperkt. Relatief weinig vrouwen en oudere mannen hebben een baan. Werknemers zijn goed tegen ontslag beschermd.
In het liberaal of Angelsaksisch type ligt het niveau van sociale voorzieningen veel lager en uitkeringen zijn moeilijker te krijgen. Bovendien zijn de uitkeringspercentages lager en is de duur korter. De overheid bemoeit zich weinig met de zorgtaken en trekt daar weinig geld voor uit.

Nederland wordt beschouwd als een mengvorm van het corporatistisch en het sociaaldemocratische type verzorgingsstaat. Je kunt je afvragen of we het afgelopen decennium niet richting Angelsaksisch type zijn opgeschoven. Misschien nog niet feitelijk maar wel in de wijze waarop er over de verzorgingsstaat wordt gedacht en gesproken. Vergelijkbaar is de beweging in de economie waar we het Rijnlands model hebben ingeruild voor het Angelsaksische model. Als we kijken naar de Duitse economie die veel beter bestand lijkt tegen de crisis dan lijkt het goed als we ons daar nog eens op bezinnen. Al is het maar omdat die economie beter te begrijpen is en er minder plaats is voor riskante luchtballonnen en hypes.
Managementscope geeft een mooie definitie van beide modellen:
Het Rijnlandse Model staat voor de overlegcultuur, voor solidariteit, voor waardering voor vakmanschap en voor andere waarden dan alleen geld, zoals kwaliteit en geluk.
Daarmee staat het lijnrecht tegenover het Angelsaksische model in zijn meest rauwe vorm waarbij geld vaak de enige maatstaf lijkt te zijn, de aandeelhouder de baas is en processen alleen nog maar zo efficiënt en goedkoop mogelijk worden gemanaged.

De eerlijkheid gebiedt om te zeggen dat er ook nadelen van het Rijnlands model worden geschetst maar deze vallen in het niet bij de voordelen. Maar het grote voordeel zit vooral in de principiële keuze voor waarden die er echt toe doen.

Onderwijs en de houdbaarheid van de verzorgingsstaat

Samenvatting van en gedachten bij het filosofisch kwintet van 22 juli over de rol en plaats van onderwijs in de verzorgingsstaat. Over onderwijs als economische factor en als middel tot ‘verheffing’. Over het ontbreken van visie en over mogelijke oplossingen.

23 juli 2012

Het filosofisch kwintet van 22 juli: Wat is de rol en plaats van onderwijs in de verzorgingsstaat?

Het gesprek van het filosofisch kwintet start bij een bericht in de NRC van 14 juli over de laaggeletterdheid van 1½ miljoen mensen in Nederland. Dit betreft een veel grotere groep dan de immigranten voor wie Nederlands niet de moedertaal is. Van alle drop-outs is 85% laaggeletterd. Laaggeletterdheid vergroot dus de kans op uitvallen. Waarmee gelijk het maatschappelijk belang duidelijk wordt.

Onderwijs is gericht op twee hoofddoelen. Een economisch doel dat vraagt om voldoende beheersing van de basisvaardigheden. Het tweede doel is de culturele overdracht, gericht op burgerschap en op reproductie van cultuur – zoals dit jarenlang binnen de zuilen vorm kreeg.
Dit laatste wordt vooral gevangen met het begrip ‘verheffen’; ontwikkelen van groepen burgers. De drie grote stromingen, de sociaal democratische, christelijke en liberale tradities hebben voldoende cultuurfilosofische bronnen waaruit geput kan worden.

Het economisch belang van onderwijs
Er is in tegenstelling tot de vorige uitzendingen niet gesproken over de stijgende kosten. Wel over de economisering van het onderwijs. Het doel van onderwijs lijkt meer en meer te beperkt te worden tot het aanleren van basisvaardigheden waardoor burgers economisch onafhankelijk kunnen worden en hun bijdrage kunnen leveren aan (de groei van) de economie. Het onderwijs wordt afgerekend op het wel of niet behalen van dat doel. De economisering wordt ook zichtbaar in de instituties. Grote onderwijsinstellingen waarin de organisatiebelangen (en belangen van het management) belangrijker lijken dan de inhoud en de kwaliteit van het onderwijs.

Basisonderwijs
Het basisonderwijs heeft er de laatste decennia veel taken bijgekregen. Veel maatschappelijke problemen worden bij het onderwijs neergelegd en de basisschool krijgt meer en meer de rol van opvoeder. In de tijd van de zuilen ondersteunde het onderwijs de cultuur en het opvoedingsklimaat van thuis. De middenklasse omgangsvormen zijn verwaterd en van de scholen wordt verwacht dat zij deze taak van de ouders overnemen. Niet zelden leidt dat tot strijd tussen ouders en school. Tegelijk worden scholen meer afgerekend op het aanleren van basisvaardigheden en krijgen toetsen een belangrijker rol. Meer taken – terwijl de schooldag in Nederland de kortste is van Europa.
Eén van de oplossingen die wordt aangegeven is een verlenging van de schooldag. Dit heeft tot voordeel dat voorschoolse en naschoolse opvang niet langer nodig zijn en ouders meer mogelijkheden krijgen om werk en gezin te combineren. Tevens wordt er gepleit voor voorschoolse educatie van 2- en 3-jarigen om de kansenongelijkheid te verkleinen. Het huidige onderwijs waarin een belangrijke taak bij ouders wordt gelegd bij de voorbereiding op toetsen en werkstukken maakt dat de sociaal-culturele en economische verschillen worden gereproduceerd.
Belangrijk is ook de verwijzing naar het Finse model waarin zeer hoge eisen worden gesteld aan leerkrachten. Ook worden daar veel meer vakkrachten ingezet in het onderwijs.

Vervolgonderwijs en uitvallers
Tegenover het recht op onderwijs staat de plicht voor studenten om zich in te zetten. Er werd gesproken over hardvochtigheid en harteloosheid naar jongeren die het cognitief niet aan kunnen. De leerplicht verwordt voor deze groep vaak tot een aanwezigheidsplicht. Leren wordt hiermee een negatieve ervaring en de natuurlijke leergierigheid en het plezier van jezelf ontwikkelen wordt de kop ingedrukt. Dit is aanleiding tot een pleidooi voor ambachtelijk onderwijs. Niet voor niets worden succesvolle projecten voor drop-outs gekenmerkt door praktische taken en het leren van een vak. Mijn vader, een ouderwetse schoolmeester in de vorige eeuw, zag de kinderen opleven die na de 6e klas naar de ambachtsschool of later LTS gingen. Eindelijk de dingen doen waar je goed in was of kon worden. Onderwijs dat wordt ingezet om verborgen talent te ontwikkelen en laaggeletterden ook de mogelijkheid biedt om volwaardig te participeren.

Visie op onderwijs
Er ontbreekt een duidelijke visie op onderwijs. Er is veel verwarring. Dit maakt dat leerkrachten niet goed functioneren. Een goede visie wordt in de eerste plaats gekenmerkt door keuzes die gemaakt worden. We moeten ons realiseren dat we de economische orde van morgen niet kennen. Het is dus belangrijk dat we oplossingsgerichte capaciteiten ontwikkelen. Om te beginnen in het basisonderwijs waarvoor een aantal zinvolle suggesties voor kwaliteitsverbetering zijn aangedragen
Demografische ontwikkelingen laten zien dat het aantal kinderen kleiner wordt. We kunnen ons geen onderwijssysteem permitteren waarin kinderen niet de kans krijgen om zich te ontwikkelen tot zelfredzame en kritische burgers.

Gezondheidszorg en de houdbaarheid van de verzorgingsstaat.

Gezondheidszorg en de houdbaarheid van de verzorgingsstaat.
Hoe denken we over zorg? Hoe ver gaat het recht op zorg en welke rol heeft de staat? Over solidariteit en verantwoordelijkheid. Over zorg als economische factor en de markt. Zorg als schaars goed en verdeling op basis van waarden als gelijke toegang en solidariteit. En uiteindelijk de vraag naar verzoening met onze sterfelijkheid. Gedachten bij het filosofisch kwintet van 15 juli.

16 juli 2012

Het filosofisch kwintet van 15 juli: Hoe denken we over zorg? Hoe ver gaat het recht op zorg en welke rol heeft de staat?
De bron van zorg is te vinden in de caritas, het christendom. Zorg voor elkaar die de eigen kring overstijgt. Vanaf het einde van de 18e eeuw is onder invloed van het kapitalisme de zorg een maatschappelijk belang geworden. Gezonde mensen kunnen bijdragen aan de productiviteit. In de loop van de 20e eeuw is de zorg verschoven van de kerk naar de staat.
Gesteld kan worden dat de gezondheidszorg wat mag kosten als het betekent dat mensen genezen worden (=weer kunnen bijdragen aan de productie). Zorg vanuit compassie is minder vanzelfsprekend. Ten eerste zijn hulpverleners opgeleid om te genezen, in ieder geval handelend op te treden. Maar ook de aandacht voor evidence based werken heeft de ruimte voor compassie verkleind. Wat is het draagvlak voor zorg waarvan ‘het nut’ niet is bewezen? Opgemerkt werd dat het nut van aandacht in de behandeling niet is bewezen. Ik heb hier niet direct concrete verwijzingen naar onderzoeksrapporten maar ik weet vrijwel zeker dat er wel onderzoek is gedaan waarin de meerwaarde van aandacht is aangetoond.

Recht op zorg
Zorg is een schaars goed en belangrijke principes bij de verdeling hiervan zijn waarden als gelijke toegang en solidariteit. Er is een collectieve verzekering die alleen kan blijven functioneren als de zorg niet onbeperkt beschikbaar is. Solidariteit kent ook grenzen: wat ben ik bereid om voor de gezondheid van de ander (buiten mijn directe kring) te betalen. Zorg is ook breder dan ziekte en omvat ook preventie en welzijn. Hoe ver gaat de solidariteit als het gaat over cosmetische chirurgie?
In de discussie werd enkele malen gesteld dat gezondheid belangrijk is om ‘normaal’ te kunnen functioneren. Maar het is belangrijk te erkennen dat ook de patiënt die afhankelijk is van anderen kwaliteit van leven kan hebben. Anders dreigt het gevaar dat we individuen beoordelen naar hun bijdrage aan de samenleving in de sfeer van productiviteit. Dan wordt de discussie wel een enge en dat zal niet zo bedoeld zijn, mag ik hopen.

Solidariteit en verantwoordelijkheid
De focus moet liggen op preventie. Niet achteraf als iemand al ziek is. Dit voorkomt onverkwikkelijke discussies of ziekte en ongeval voorkomen had kunnen worden als de patiënt een gezonde (minder riskante) levensstijl had gehad. Terecht werd gesteld dat we allemaal irrationeel, onverstandig gedrag vertonen dat gevolgen kan hebben voor onze gezondheid. De solidariteit onder het systeem wordt ondermijnd als we de risico’s in kaart brengen en bepalend laten zijn voor de kosten en toegankelijkheid van zorg.
Het principe van wederkerigheid krijgt weinig aandacht in de discussie over solidariteit. Vandaag ben ik gezond maar morgen kan mijn perspectief 180° gekanteld zijn. En als dat mij of één van mijn geliefden overkomt dan kijk ik anders naar kosten en solidariteit.

Zorg als economische factor
Er is zorg over de stijgende kosten. Er is overeenstemming over het idee dat het budget vastgesteld moet worden voor een basispakket dat begrensd is. Wie meer wil moet dat zelf regelen, al dan niet met behulp van een verzekering. De schaarste maakt ook dat hulpverleners ‘nee’ moeten kunnen verkopen als de vraag buiten de vastgestelde grenzen valt.
Wat ik mis in deze discussie is de gedachte dat de gezondheidszorg ook een belangrijke bron is van economische groei. Het is één van de weinige sectoren waarin banengroei is. Vanuit de kapitalistische gedachte draagt de zorg er ook toe bij dat mensen langer gezond blijven en dus langer kunnen bijdragen – zie ook de discussie over de stijgende pensioenleeftijd.
Er is ook weinig aandacht voor de echte oorzaak van de groeiende vraag en de bijbehorende kosten; namelijk de groei van de technische mogelijkheden. En hoe zit het met de maatschappelijke kosten? Je wilt alles geprobeerd hebben om jouw gezondheidsprobleem op te lossen. Op individueel niveau betekent dit soms winst want het leidt tot de gewenste uitkomst: genezing. Voor anderen betekent dit een toename van lijden. Want de behandeling veroorzaakt schade en hoop die uiteindelijk niet vervuld wordt kan zwaarder vallen dan wanneer je gelijk de klap moet incasseren. Wat is de balans van geluk en lijden op macroniveau?

En dan natuurlijk de werking van de markt in de zorg. Sinds de markt de ruimte krijgt, zijn de kosten exponentieel gestegen. De beleidsmakers doen voorkomen alsof dit gescheiden ontwikkelingen zijn maar het gezonde verstand zegt wat anders. Vanmorgen (16 juli) op de voorpagina van Trouw: “Verzekeraars letten niet op zorgkwaliteit. Zorgverzekeraars maken de belofte van de marktwerking niet waar.
De markt heeft ook zijn eigen belangen. Het is een bedrijf geworden dat omzet (=behandelingen en nieuwe markten) moet genereren. De markt heeft belang bij groei en de samenleving heeft belang bij begrenzing van de groei. En weer een ander deel van de markt heeft belang bij ongezond gedrag. Kijk naar de effectieve lobby van de tabaksindustrie.

We moeten ons verzoenen met onze sterfelijkheid
De toename van de mogelijkheden om te genezen kunnen het zicht op de grenzen hiervan belemmeren. We voeren een eindeloze strijd tegen het einde. We zijn zo langzamerhand af van het idee van de maakbare samenleving maar daar lijkt het idee van een maakbare gezondheid voor in de plaats te zijn gekomen. Het is mooi dat we langer vitaal blijven – mede dankzij de mogelijkheden van de geneeskunde. Maar het beperkt ons vermogen om beperkingen en uiteindelijk verval te accepteren. We hopen voortdurend op nieuwe ontwikkelingen die het einde kunnen uitstellen.
De waarde van de publieke discussie over de kwaliteit van leven en de eindigheid van het bestaan is dat deze discussie het gesprek tussen behandelaar en patiënt kan faciliteren.