Krapte op de arbeidsmarkt?

In veel publicaties en op internetfora wordt uitgegaan van een tekort aan menskracht op de arbeidsmarkt bij vertrek van de babyboomgeneratie. Werkzoekenden denken dat zij dankzij deze ontwikkeling straks weer werk kunnen vinden. Beleidsmakers maken beleid gericht op meer mensen aan het werk.
Nader onderzoek wijst uit dat er de eerstkomende jaren geen sprake is van een tekort aan werkenden.

24 juni 2011

In veel publicaties en op internetfora wordt uitgegaan van een tekort aan menskracht op de arbeidsmarkt bij vertrek van de babyboomgeneratie. Werkzoekenden denken dat zij dankzij deze ontwikkeling straks weer werk kunnen vinden. Beleidsmakers breken hun hoofd over de vraag hoe zij mensen meer en langer  aan het werk kunnen krijgen.
Nader onderzoek wijst echter uit dat er de eerste tien jaar geen sprake is van een tekort aan werkenden.

In de algemeen gedeelde verwachting over toekomstige tekorten op de arbeidsmarkt lijkt onvoldoende rekening te worden gehouden met de stijgende arbeidsparticipatie. De arbeidsparticipatie geeft het percentage mensen aan dat werkt (bijv. binnen een leeftijdsgroep).
Voor mannen is de stijging van de arbeidsparticipatie goed zichtbaar vanaf 50 jaar. In 17 jaar tijd (de keuze van de jaren heeft te maken met de beschikbare gegevens via cbs.nl/statline) is de arbeidsparticipatie van mannen ouder dan 50 jaar fors gestegen. De arbeidsparticipatie van 50-55 jarigen steeg tussen 1992 en 2009 van 79.8 naar 88.5%; voor de groep van 55-60 jaar van 58.3 naar 80.4%. De arbeidsparticipatie in de groep van 60-65 jaar is zelfs meer dan verdubbeld van 19.8 naar 41.4%.
Als de arbeidsparticipatie gelijk zou zijn gebleven dan werkten er in de leeftijdscategorie ouder dan 50 jaar bijna 300.000 mannen minder dan nu het geval is.
Daarbij vergeleken valt de verwachting dat er 8500 mensen stoppen met werken als gevolg van de stijgende bijdragen voor kinderopvang in het niet.

Voor vrouwen is de stijging van de arbeidsparticipatie echt spectaculair:

Er werken in 2009 1,2 miljoen meer vrouwen dan het geval zou zijn als de arbeidsparticipatie was blijven steken op het niveau van 1992 en 565.000 meer dan op basis van de arbeidsparticipatie van 2001.

De verwachting lijkt reëel dat de toenemende arbeidsparticipatie de komende tien jaar in ieder geval ruimschoots het vertrek van de babyboomgeneratie kan opvangen. Leeftijdsgroepen met een lage arbeidsparticipatie worden immers vervangen door leeftijdsgroepen met een hoge arbeidsparticipatie.

Het beeld tot 2020

Tien jaar vooruitkijken is – gezien het tempo waarin de wereld van werk verandert – al heel wat.
Tot 2015 zullen jongeren die nu 20-25 jaar zijn de werkenden vervangen die nu 60-65 jaar zijn. En in de periode van 2015 tot 2020 vervangt de groep die nu 15-20 jaar is de huidige werkenden van 55-60 jaar. De vervanging is natuurlijk niet zo dat de jongere direct de functie van de oudere overneemt maar de generaties schuiven door.
We kunnen ervan uitgaan dat de arbeidsparticipatie van de instromende generatie zal stijgen naar het niveau van de huidige 25-50 jarigen (=83,1% totaal, 90,8% voor mannen en 75,3% voor vrouwen, CBS).
Daarnaast zal in de groep 60-65 jaar rekening gehouden moeten worden met uitval als gevolg van overlijden en arbeidsongeschiktheid. Ik kan hierover geen gegevens vinden en ga uit van een schatting van 10%.
Het verschil tussen vertrek en intrede tot 2015 op basis van deze uitgangspunten levert een positief saldo van 450.000. Voor de periode van 2015-2020 is er nog steeds een positief saldo van 48.500.
Totaal is de groei de komende jaren afgerond een half miljoen.

Conclusie: Als doorwerken tot 65 jaar de norm wordt, dan is er de komende jaren geen tekort aan menskracht maar aan banen.
Let wel dit zegt alleen iets over kwantiteit en niets over overschot of tekort op bepaalde arbeidsmarktsegmenten. Het lijkt bijvoorbeeld reëel te verwachten dat er een tekort ontstaat in de zorg als gevolg van de vergrijzing.

Ondanks de groeiende economie komt de banengroei nog niet echt op gang. Volgens de maandelijkse personenenquête over de arbeidsmarkt van het CBS blijkt dat er in april volgens seizoensgecorrigeerde cijfers 48.000 mensen minder werken dan in december. In juni geeft het CBS voor het eerste kwartaal van 2011 een groei aan van 34 duizend banen ten opzichte van het eerste kwartaal van 2010. Ten opzichte van het vierde kwartaal 2010 echter daalde, na seizoenscorrectie, het aantal banen met 7 duizend. Het beeld lijkt ten opzichte van april gunstiger maar tegelijk wordt bekend gemaakt dat de voor seizoeninvloeden gecorrigeerde werkloosheid in mei met 8 duizend personen is gestegen.

Voorlopig lijkt de verwachting reëel dat de toenemende arbeidsparticipatie de komende jaren het vertrek van de babyboomgeneratie ruimschoots kan opvangen. Voor mensen die nu aan de kant staan, gloort er helaas nog geen nieuw perspectief.